Biografie

Biografie Martin Visser (door hemzelf opgeschreven ter gelegenheid van de uitreiking van de Theo Limpergprijs 1989)

Een keuze uit mijn autobiografische gegevens:

1922-1945

–   Jeugd doorgebracht tussen meubels van Berlage en Van den Bosch en de eindeloze verhalen van mijn vader over Berlage, Behrens etcetera aangehoord. 

1942-1943

–   De schilder Otto van Rees neemt me mee naar architect G. Rietveld. Rietveld was tijdens dat bezoek bezig met een schaal-model voor de aluminium stoel.

1943-1945

–   Het eerste contact met een privéverzamelaar, de heer P.A. Regnault in Laren. De Modigliani’s, de Soutine’s, zelfs een Picabia, het stond daar allemaal om ons heen.

1945

–   Op 28 september getrouwd met Mia van der Hoek.

1946

–   Geboorte zoon  Martijn.

–   Parijs: Architect Bijvoet brengt me bij de bouwwerken van Pierre Chareau (‘La maison de verre’ ontworpen samen met Bijvoet), Le Courbusier en Perret en toont me ’s avonds nog een meubelen van Chareau, enigszins zorgelijk over het feit dat die meubelen in het zo fraaie ‘maison de verre’  geplaatst zijn. 

1947

  • Geboorte dochter Marja

1947-1955

–   Werkzaam bij de Bijenkorf (Amsterdam) ontmoet ik daar Karel Appel, Constant, Aldo van Eyck, Friso Kramer, Benno Premsela, opnieuw architect Gerrit Rietveld en Hein Stolle.  De tentoonstellingen ‘Ons huis, ons thuis’ hebben vooral mijn aandacht (een initiatief van de inkoopdirecteur A.A.R. Verhoog met op de achtergrond dr. G. Van der Wal als hoofd-directeur). 

     Rietveld maakt in één van deze tentoonstellingen (1955) een flat van 48m2 terwijl Aldo van Eyck het overblijvende deel onder zijn hoede nam. Benno Premsela leerde me hoe ik een meubel neer moest zetten en liet zien hoe je met textiel om kon gaan. 

     1955

  • Verhuisd van Amsterdam naar Bergeijk waar ik voor het Meubelbedrijf ’t Spectrum (een onderdeel van Weverij de Ploeg) ga werken. Rietveld werd gevraagd een bescheiden huis voor ons te ontwerpen. Vanaf 1947 waren we bezig met het verzamelen van Cobra-werken (voornamelijk Appel, Constant en Wolvencamp). Toen we in 1956 het nieuwe Rietveld-huis betrokken waren we in het bezit van ongeveer honderd stuks, meest tekeningen en gouaches. We hebben van dat moment niet meer verzameld tot 1958. 

     1958

  • Dat was het jaar dat Hans Sonnenberg ons in de gelegenheid stelde een aantal van onze Cobra-tekeningen te ruilen voor veertien werken van Piero Manzoni (zie hierover ‘Beeldende Kunst en Kunstbeleid in Rotterdam 1945-1985’ door Jan van Adrichem – bladzijden 96,97,98 en 99). In 1973 organiseerde dr. Franz Mey, directeur van het Baseler Kunstmuseum, een tentoonstelling van Manzoni met werk uit ons bezit. Zeven stuks hiervan zijn nu permanent in het museum Kröller Müller.
  • In dit jaar kregen Hans Polak (met zijn Weverij ’t Paapje), Kho Liang Ie en ik (beiden met meubelen) een tentoonstelling in het Stedelijk. De toenmalige directeur, de heer Willem Sandberg, verzorgde onze catalogus.
  • In hetzelfde jaar vroeg de heer Sandberg mij banken voor zalen in dit museum te maken. Het werden essen-houten lattenbanken, zo onopvallend, dat ze nu nog in gebruik zijn. 

1960-1961

–     In Parijs zag ik ‘Les sources du XX siecle’ en ‘Les arts en Europe’. Op deze tentoonstellingen kreeg ik enig inzicht in het werk van Paul Cézanne bij het zien van ‘Les grandes Baigneuses’ (1900-1905, 130 x 195cm). Wanneer mijn informatie juist is bevindt dit werk zich nu in de National Gallery in Londen[1]

     1963

  • Eerste aankoop van Christo bij galerie Schmela (Düsseldorf)

1964

  • Op 24 juni opende het Haagse Gemeentemuseum de tentoonstelling ‘Nieuwe realisten’ (W.A.L. Beeren, conservator). Hier kreeg ik enigszins door waar Andy Warhol zich mee bezighield. In mei 1965 zag ik bij galerie Sonnabend (in Parijs) de ‘Flovers’ van dezelfde kunstenaar. Op de Bienale in Venetië kregen we een voortreffelijk  beeld van het werk van Jasper Johns. 
  • Bij Schmela in Düsseldorf werd vanaf 26 oktober Robert Morris getoond. Onder andere een loden doos met een zwaar slot erop en de sleutel in de doos (zie verder 14 februari 1968).

1965

  • Op 16 oktober gegeten met Fontana (samen met Geertjan) in restaurant Cavour (Milaan)
  • Ausstellung Joseph Beuys ‘-irgend ein Strang-‘ bij galerie Alfred Schmela. Onze eerste kennismaking met het werk van Beus.
  • Eerste presentatie van mijn tafels ‘Tivoli ‘65’[2] in het gebouw Tivoli te Utrecht. 

1966

  • mei: Christo in het Van Abbemuseum (directeur Jean Leering). Mijn zoon Martijn en ik treden op als gast-conservatoren.
  • 16 september: Dan Flavin bij galerie Zwirner (Keulen). Eerste aankopen Flavin (voor Geertjan en voor ons). 

1967

  • 21 oktober opent Konrad Fischer met Carl Andre ‘Ontologische Plastik’, de eerste tentoonstelling van Andre in Europa.
  • Carl Andre en Konrtad Fischer in Bergeijk. Carl bepaalt de plaats in ons huis voor een Andre-aankoop. 
  • Op 5 december opent Hanne Darboven eerste tentoonstelling bij Konrad Fischer (onze aankopen van Hanne Darbovebn volgden). 
  • 13 december: Sol LeWitt in Bergeijk. Besproken met Sol de ‘9square grids for sets A, B, C en D’ te maken (aankopen voor Geertjan en ons). De Plaatwerkindustrie Nebato te Bergeijk, onder leiding van Dick van der Net, is erin geinteresseerd werk voor kunstenaars uit te voeren.  Daar Dick van der Net geen relaties in de kunstwereld heeft, vraagt hij Mia Visser tegen beloning garant te staan voor de betalingen en te bemiddelen waar dat nodig zou zijn. 
  • Eind december brengt Jean Leering ‘Artforum’ nummer 12 voor ons mee waarin een uitgebreid artikel over Bruce Nauman.

1968

  • 6 januari: Sol LeWitt bij Konrad Fischer.

1989

  • Van 11 februari tot 29 april de eerste tentoonstelling van A.R. Penck bij galerie Beyeler (Basel). Wanneer Beyeler werk van een kunstenaar gaat exposeren, zo heeft Michael Werner jaren geleden eens opgemerkt , kan men vaststellen dat de zwaarste barrière genomen is
  • Op 26 februari komt het boek van Carle Blotkamp over Carel Visser uit. Fraai uitgegeven en uitstekend geschreven.  Op bladzijde 219 schrijft Carel Blotkamp: ‘Meer dan enige andere vooraanstaande beeldhouwer, in de laatste decenia, heeft hij de sculpturale principes, die door de grote pioniers in de eerste helft van deze eeuw zijn geformuleerd, op hun waarde beproefd en in zijn werk nieuwe betekenis gegeven’. Met deze zin is het werk van Carel Visser, dat ik sinds onze kinderjaren op de voet volg, zuiver getypeerd.
  • Vanaf 26 april maken we een reis naar Los Angeles om het werk van architect Frank Gehry te bekijken. Zijn  Santa Monica’s Main Street, het restaurant Rebecca’s, zijn Temporary Contemporary Museum, het is voor ons nieuw als architectuur. In de beeldhouwkunst is deze chaotische bouw al aangekondigd onder andere door Bob Morris met zijn installatie houten balken, beton blokken en staal (Whitney Museum New York, april 1979) en zelfs door Tatlin met zijn Coplen Corner Reliefs, 1914-1915.
  • Van 9 tot 15 oktober, reis naar New York en Houston (Texas). In New York zagen we de meubels van Robert Vwenturi in de Knoll Studio’s; 

[1] Dit schilderij bevindt zich inderdaad in de national Gallery in Londen + afbeelding

[2] Later bekend geworden als de ‘bumpertafel’